![]()
Biografie Hergé
door Roger Klaassen
Hergé werd op 22 mei 1907 in Brussel geboren als Georges Remi. Op 3 maart 1983 overleed hij, ook in Brussel. In de 75 jaar die hij leefde, maakte hij 23 Kuifje-albums, honderden afleveringen van Quick en Flupke, vijf albums met Jo, Suus en Jocko, en hij tekende talloze illustraties voor boeken, kranten, tijdschriften en advertenties. Hieronder volgt een zeer beknopte biografie van Hergé. De bij de verhalen genoemde jaartallen zijn het jaar waarin publicatie begon in Le Petit Vingtième of in het weekblad Kuifje.
| 1907 - 1920 | ||||
| Op 22 mei 1907 wordt Georges Remi (Hergé) geboren in de
Brusselse deelgemeente Etterbeek. Zijn moeder is huisvrouw, zijn vader werkt op een
confectieatelier. Zijn vader Alexis Remi is de helft van een tweeling (met broer Léon), die tot op hoge leeftijd identiek gekleed zal gaan. Over de vader van Alexis en Léon zijn de nodige speculaties: Hergé's grootmoeder Marie-Barbe Léonie Dewigne raakt als dienstmeisje bij de gravin Marie-Hélène Errembault de Dudzeele zwanger van de tweeling. Jaren later erkent Philippe Remi de tweeling, maar kan gezien zijn leeftijd (12 jaar toen de tweeling geboren werd) de vader niet zijn. De geheimzinnige levensgeschiedenis leidt tot verschillende doorwrochte psychoanalytische lezingen van met name de Kuifje-albums Het Geheim van de Eenhoorn en De schat van Scharlaken Rackham. In 1912 wordt zijn enige broer, Paul, geboren. Hergé zal zijn jeugd herinneren als een grijze periode, waarin niet veel gebeurde. |
||||
| 1920 - 1930 | ||||
Inmiddels is Hergé in 1925 aan het werk gegaan bij de Brusselse krant 'Le vingtième siècle. De eerste jaren werkt hij op de abonnementendienst, maar na zijn diensttijd keert hij terug als 'Reporter - fotograaf - tekenaar'. De directeur van de krant, de abt Norbert Wallez, herkent het talent van Hergé en maakt hem verantwoordelijk voor een nieuwe jeugdbijlage bij de krant: Le Petit Vingtième. Hierin verschijnt op 10 januari 1929 de eerste aflevering van Kuifje: Tintin aux pays des Soviets (Kuifje in het land van de Sovjets). |
||||
| 1930 - 1940 | ||||
Het eerste Kuifje avontuur kent een enorm succes bij de lezers van Le Petit Vingtième. Teruggekomen uit de Sovjet unie wil Hergé met Kuifje naar Amerika, maar Norbert Wallez ziet Kuifje liever naar Kongo vertrekken. En zo gebeurt het.
Na Afrika stuurt Hergé Kuifje naar Amerika, en daarna via Egypte naar India (De sigaren van de farao). De verhalen hebben nauwelijks structuur: Hergé leeft 'bij de week' en maakt zijn pagina's vaak op het laatste moment.
In 1936 start Hergé ook nog eens met de avonturen van Jo, Suus en Jocko in het Franse blad Coeurs Vaillants. De bazen van dit blad zien graag een strip met een gezin in de hoofdrol. Maar Hergé doet het duidelijk zonder al te veel inspiratie: Le Rayon V (1936) en Le Stratonef H.21 (1938) kunnen niet op tegen de Kuifje-verhalen die Hergé in dezelfde jaren maakt. |
||||
| 1940 - 1950 | ||||
| De Tweede Wereldoorlog maakt een eind aan de publicatie
van Het Zwarte Goud. Aanvankelijk vlucht Hergé naar Frankrijk, maar later keert hij terug naar Brussel. De Tweede Wereldoorlog is van groot belang voor Hergé's verder werk en leven. Voor zijn werk is het een ronduit positieve periode: artistiek is Hergé op zijn hoogtepunt. Achtereenvolgens introduceert hij kapitein Haddock en Professor Zonnebloem. Doordat hij gaat werken voor Le Soir (Le Petit Vingtième stopte) krijgt hij bovendien een veel groter lezerspubliek. Een andere belangrijke gebeurtenis is zijn ontmoeting met Jacques van Melkebeke en, via hem, met Edgar Pierre Jacobs. Beiden dragen bij aan de scenario's van Hergé, en Jacobs heeft een beslissende invloed op Hergé om zich nog grondiger te documenteren. Tijdens de oorlog begint Hergé ook met het omwerken van zijn eerste albums naar kleurenalbums van een vaste omvang. Een groep van medewerkers werkt hier aan mee. De invloed van de oorlog op zijn reputatie is echter uiterst negatief. Het feit dat Hergé werkt voor een door de Duitsers gecontroleerde krant blijft hem zijn hele leven achtervolgen. Een bedenkelijk scenario voor De Geheimzinnige Ster (een 'verenigd' Europa neemt het op tegen een Amerikaanse expeditie, geleid door een Joodse bankier) en een enkele antisemitische grap helpen hem daar niet bij. Hergé maakt verhalen die strikt genomen 'neutraal' zijn. Avonturenverhalen pus sang: De Krab met de Gulden Scharen (1940), De Geheimzinnige Ster (1941), Het Geheim van de Eenhoorn (1942), De schat van Scharlaken Rackham (1943) en De 7 Kristallen Bollen (1944). Ook na de oorlog begrijpt Hergé niet waarom zijn reputatie zo te lijden heeft onder de Tweede Wereldoorlog: hij bedreef toch immers geen politiek? Na de oorlog krijgt Hergé dan ook een publicatieverbod opgelegd. Hij kan nog wel werken aan kleurenedities van zijn verhalen, maar mag geen nieuwe verhalen meer publiceren. Een zware tijd die hem zijn hele leven zal bijblijven.
|
||||
| 1950 - 1960 | ||||
| De problemen en 'verdwijningen' van Hergé gaan in het
begin van de jaren 50 door. Publicatie van 'Raket naar de Maan' wordt onderbroken. Het is duidelijk: Hergé heeft hulp nodig om al het werk te kunnen doen. De Studios Hergé wordt opgericht. Kuifjes maanavontuur is het eerste verhaal dat in de Studios wordt gemaakt. Een vaste werkwijze wordt ontwikkeld waarbij Hergé het scenario bedenkt, de figuren tekent, maar waarbij medewerkers een groot deel van de decors voor hun rekening nemen. Tal van zeer getalenteerde medewerkers zullen werken voor de Studios Hergé: Bob de Moor, Jacques Martin (Alex) en Roger Leloup (Yoko Tsuno) zijn de bekendsten. Het verlicht het werk van Hergé, en met een keurige regelmaat verschijnen Mannen op de Maan (1952), De Zaak Zonnebloem (1954) en Cokes in Voorraad (1956). De problemen voor Hergé worden er echter niet minder om. Zijn huwelijk met Germaine loopt op de klippen, zeker nadat Hergé verliefd wordt op één van zijn inkleursters, Fanny Vlamynck. De persoonlijke crises van Hergé maken hem het werken bijna onmogelijk. Professor Ricklin adviseert Hergé te stoppen met werken, maar Hergé zet zich toch achter zijn tekentafel en maakt Kuifje in Tibet (1958). Het is zijn meest gevoelige album, waarin de persoonlijke crisis van Hergé doorklinkt. Het zal Hergé's favoriete album blijven. |
||||
| 1960 - 1970 | ||||
| Vanaf de jaren 60 tekent Hergé minder en minder. Hij
maakt tijd vrij voor een 'nieuw' leven: hij groeit uit tot een voorname verzamelaar van
moderne kunst, verdiept zich in Oosterse filosofie, gaat eindelijk zelf op reis, met
Fanny. In 1961 maakt hij De Juwelen van Bianca Castafiore, een hoogtepunt in zijn oeuvre: 62 pagina's lang weet hij de lezer op het verkeerde been te zetten. Pas in 1966 begint hij aan een nieuw Kuifje-verhaal: Vlucht 714. Het is echter voelbaar en zichtbaar dat Hergé (te) veel overlaat aan zijn medewerkers. De sprankelende vitaliteit van de eerdere Kuifjeverhalen ontbreekt. Eind jaren 60 lijkt het er op dat Hergé het hierbij laat. Er wordt wel gewerkt aan speelfilms (De Blauwe Sinaasappels en Het Gulden Vlies) en tekenfilms (met name de Zonnetempel, en begin jaren 70 Het Haaienmeer), maar een nieuw album lijkt er niet meer te komen. |
||||
| 1970 - 1983 | ||||
Begin jaren 70 kondigt Hergé aan weer bezig te zijn aan een nieuw verhaal. Het blijkt het laatste Kuifje-album Kuifje en de Picaro's (1975) te zijn. Het is een solide verhaal, waarin blijkt dat zelfs Kuifje het avontuur een beetje moe is. In 1977 wordt eindelijk de echtscheiding tussen Hergé en Germaine uitgesproken. Hergé trouwt vervolgens op 20 mei 1977 met Fanny. In 1979 wordt op grootse wijze de vijftigste verjaardag van Kuifje gevierd. De festiviteiten betekenen een enorme waardering voor Hergé, maar eisen ook een zware tol. Hergé lijdt al enige jaren aan leukemie, en de vermoeienissen zijn hem duidelijk aan te zien.
|